Verbetering van uw duurprestatie
Inleiding
Uitgangspunten voor training
De energiestofwisseling
De opbouw van training
Inleiding
Voor een goede duurprestatie is de medewerking nodig van
een groot aantal orgaansystemen. Het functioneren van deze orgaansystemen is
door training in wisselende mate te beïnvloeden. In hoeverre u uw
prestatievermogen kunt “oprekken” hangt dus in hoge mate samen met de
rekbaarheid van de prestaties van de individuele lichaamsfuncties. Deze
lichaamsfuncties zijn:
- Het
actieve bewegingsapparaat: de skeletspieren;
- Het
passieve bewegingsapparaat: pezen, banden en botten;
- De
circulatie: hart, vaten en bloed;
- Het
willekeurige zenuwstelsel;
- Het
onwillekeurige zenuwstelsel;
- Het
ademhalingssysteem;
- Het
hormoonsysteem.
De rol van al deze orgaansystemen is groot. Ze zijn echter
niet allemaal even trainbaar. Bij die delen van het lichaam die weinig te
trainen zijn, spelen erfelijkheid, leeftijd en gezondheid een beslissende
rol. Voor wat betreft de goed te trainen orgaansystemen komt daar de factor
training (en trainingsverleden) bij.
Uitgangspunten voor training
Uiteraard zijn voor training alleen de trainbare en
anderszins beïnvloedbare lichaamfuncties en eigenschappen interessant.
Trainingen geven de prikkels die het lichaam moeten bewegen om de
lichaamsfuncties aan te passen zodat de prestaties toenemen. Om
lichaamsfuncties op een effectieve manier te veranderen is het nodig om een
aantal belangrijke uitgangspunten in gedachten te houden.
- De
trainingsprikkels moeten voldoende sterk zijn maar mogen niet zo sterk
zijn dat zij het lichaam teveel beschadigen;
- Alleen
als de trainingsprikkels steeds sterker worden dan zal het lichaam zich
hieraan blijven aanpassen;
- Variatie
is beter dan eentonigheid. Dit betekent bijvoorbeeld verandering in
duur, intensiteit, type oefeningen en herstelduur.
- Na
training is eerst herstel nodig. Hoe lang dit benodigde herstel moet
duren hangt af van het type training. Na een sprint zal dit veel korter
zijn dan na een lange duurtraining op een betrekkelijk laag vermogen.
- Trainingsprikkels
moeten vaak herhaald worden om ook de langzaam verlopende
aanpassingsprocessen in het lichaam de tijd te geven om zich aan te
passen.
- Trainbaarheid
van verschillende lichaamsfuncties is sterk individueel bepaald (door
erfelijkheid, leeftijd en gezondheid). Topsport is niet voor iedereen
weggelegd en voor de gelukkige die wel voldoende aanleg heeft alleen
haalbaar in de voor deze persoon geschikte sporten.
- Wie
steeds beter in een bepaalde tak van sport wil presteren, zal de
training steeds specifieker op deze sport (of aspecten hiervan) moeten
aanpassen. Een wielrenner zal zich steeds meer moeten gaan bezighouden
met hierop gerichte training. Op een hoger niveau moet hij/zij zich
verder specialiseren in bijvoorbeeld tijdrijden of sprinten.
De
energiestofwisseling
Alle brandstof en verbranding in het lichaam staat in
dienst van de productie van ¾¾n
heel belangrijke stof. Deze stof wordt ATP (adenosinetrifosfaat)genoemd.
De chemische reactie waarbij ATP wordt omgezet in ADP en
fosfaat levert de energie waarmee spieren kunnen samentrekken.
Wanneer er verder niets zou gebeuren dan zou het ATP na
1-2 seconden op zijn. ATP moet dus voortdurend worden aangevuld. Dit gebeurt
met behulp van een aantal chemische reacties.
De snelheid en de manier waarop in onze spiercellen dit
ATP wordt aangevuld is van cruciaal belang bij sport. Dit ATP moet zo snel
mogelijk vrijkomen maar ook zo efficiënt mogelijk worden gevormd. En dat gaat
helaas niet altijd samen.
Hieronder staan de belangrijkste verbrandingsprocessen
vereenvoudigd genoemd. Al deze reacties leveren ATP op:
- De
omzetting van creatinefosfaat in creatine;
- De
snelle omzetting van glucose in melkzuur;
- De
langzame omzetting van glucose en zuurstof in koolzuur en water;
- De
omzetting van vetzuren in koolzuur en water.
Al deze omzettingen vinden plaats met behulp van enzymen.
Voor ieder verbrandingsproces zijn weer andere enzymen nodig.
Voor welke vorm van verbranding en dus aanvulling van ATP
wordt gekozen, is voor een groot deel afhankelijk van de
beschikbaarheid/hoeveelheid van deze enzymen. Door training kan het lichaam
worden aangezet om meer van bepaalde enzymen te vormen. Zo kunnen de
verschillende vormen van verbranding.
Reactie 1 verloopt het snelst. De voorraad
creatinefosfaat is echter na ongeveer 10 seconden uitgeput. De reactie kost
relatief het meeste brandstof per geleverde hoeveelheid ATP. Het is dus bij
uitstek een reactie die door een sprinter wordt gebruikt.
Reactie 2 verloopt ook nog relatief snel en kost
ook veel brandstof. Bovendien zorgt de gevormde melkzuur bij teveel ophoping
voor vertraging van de reactie (verzuring). De reactie kan rond een tot anderhalve minuut duren en speelt dus
vooral een rol bij 400 en 800 meter lopers.
Reactie 3 en 4 verlopen trager en efficiënter.
Reactie 3 duurt maximaal ongeveer 90 minuten omdat dan het glucose opraakt.
Dan is vetverbranding nog het enige dat overblijft. Een marathonloper zal
hierdoor na ongeveer anderhalf uur “de man met de hamer” ervaren, tenzij
onderweg de suikers worden aangevuld.
Een triatleet zal moeten zorgen dat reactie 4 optimaal
wordt benut. Het is een langzame reactie maar de hoeveelheid vet is tijdens
de inspanning praktisch onuitputtelijk.
Bij iedere reactie is er één enzym dat feitelijk de
snelheid van verbranding volgens deze reactie bepaalt. Zo’n enzym wordt een
sleutelenzym genoemd. Een belangrijk doel van training is dus het beïnvloeden
van de beschikbaarheid van deze sleutelenzymen. Voor de verschillende
disciplines (afstanden bij hardlopen) kan dit een andere verhouding van beschikbaarheid
van deze sleutelenzymen betekenen.
Naast deze reacties speelt ook het vermogen van het
lichaam om melkzuur te verwerken een grote rol. Deze verwerking van melkzuur
kan worden gestimuleerd door op een laag vermogen (ongeveer 50-60% van de
maximale hartslag).
Wanneer het lichaam zich snel van melkzuur kan ontdoen dan
kan een intensieve belasting waarbij veel melkzuur wordt gevormd langer
worden volgehouden. Ook zal het lichaam na deze inspanning sneller kunnen
herstellen, met minder kans op stijve spieren.
Opbouw van training
Het is de
bedoeling om door training de juiste enzymsystemen te stimuleren zodat de
energie die voor de prestatie nodig is vlot maar efficiënt beschikbaar komt.
Uiteraard is het ook erg belangrijk dat de andere lichaamsfuncties optimaal
worden voorbereid op het leveren van een goede sportprestatie.
In het algemeen dient de trainingsopbouw geleidelijk te
zijn met veel variatie en voldoende rust. Uitgangspunt is wel dat er
voldoende uren trainingsarbeid worden verricht. Zo is er een duidelijk
verband aangetoond tussen de eindtijd bij de marathon en het gelopen aantal
kilometers per week. Een te weinig aantal trainingsuren kan niet of
nauwelijks worden gecompenseerd door verhoging van de intensiteit.
De trainingsduur waarop een sporter zich zou kunnen
richten bedraagt:
- Voor
een recreatiesporter: minder dan 300 uren per jaar;
- Voor
een prestatiesporter: 300 tot 1 000 uren per jaar;
- Voor
een topsporter: meer dan 1 000 uren per jaar.
Naast de trainingsduur is ook de inhoud van de trainingen
een absolute randvoorwaarde voor een goede prestatie. Sterk vereenvoudigd kan
een trainingsopbouw voor een duursporter als volgt worden omschreven:
- Een
periode met vooral rustige duurtraining: hierin wordt de basisconditie
opgebouwd en wordt de vetverbranding gestimuleerd (ong. 4 weken).
Dit in combinatie met krachttraining;
- Een
periode met, naast duurtraining, vooral intervaltrainingen met wat
langer durende intervallen die nog goed zijn vol te houden (ong. 4 weken);
- Een
periode met vooral veel, wat kortere, meer intensieve intervallen. Het
kost meer moeite om dit vol te houden (ong. 4 weken);
- Een
periode van trainingen met volle belasting en wedstrijden, afgewisseld
met hersteltrainingen.
Het is belangrijk om vooral na een intensieve training of
wedstrijd voldoende rust te nemen. Om zolang mogelijk op dit hoge niveau te
blijven is het belangrijk om niet te vaak met maximale belasting te trainen
of in wedstrijden voluit te presteren.
Ook voldoende variatie is bij training van groot belang.
Bovenkant document
|